´De Osch´
Soms liep
de Rekenkamer der Domeinen vooruit op de bekrachtiging van het reglement voor
gebruik van de wind. Deze regeling zou manifest worden op 3 augustus 1665,
maar olieslager Gerrit Pietersz kreeg vele maanden eerder met de zaak te maken.
Van hem werd verwacht, dat de last op het recht van de wind tegen kerstmis
1664 voldaan zou zijn.
Pietersz, eens burgemeester en Raad in Weesp, vroeg in 1663 vergunning aan
tot het bouwen van een oliemolen. De plaats voor de nieuw te "stellen"
molen was gedacht aan de westzijde van de Vecht. In de "banne van Weespercarspel",
noemde men het gebied aan de westzijde van de rivier gelegen.
De vergunning tot het bouwen van de molen werd aan Pietersz verleend op 14
september 1663, onder voorwaarde van (toen al) een last op de wind van 5 gulden
jaarlijks. De verplicht gestelde naam werd voor deze molen 'De Osch'.
De oliemolen van Pietersz was de eerste waarvoor in Weesp windrecht moest
warden afgedragen. De primeur van het voeren van een naam op de kap, ter onderscheiding
van andere molens in de buurt was ook voor Pietersz, weggelegd.
Twee huizen met erf en tuin behoorden bij het bedrijf van de olieslagerij
waar aan gereedschap niets ontbrak. Het terrein van de molen strekte volgens
een acte tot voor in de Vecht toe. In de aanslag op de verponding, was de
molen met alles wat er aan getimmertes bij stand gesteld op een last van 11
gulden, 15 stuivers en 12 penningen. Verder gold voor de molenaar de steeds
weerkerende verplichte taak een stuk van de dijk langs de Vecht in onderhoud
te nemen.
Acht jaar ongeveer ging het leven in de wisseling der seizoenen aan de familie
Pietersz voorbij. Het was in 1671 dat alles er veranderde, molenaar Pietersz,
ontviel door overlijden aan de zijnen. Ons land was onder Raadspensionaris
Johan de Wit, "radeloos, redeloos en reddeloos" en ook de weduwe
van de oliemulder zag er geen gat meer in. De weduwe Jannetie Pietersz geboren
Jans verkocht als boedelhoudster van haar man de molen en alle toebehoren.
Een zakenman uit Amsterdam daagde als gegadigde op. Jan Cornelisz van Kempen
werd voor ruim 5568 gulden eigenaar van De Osch.
In 1674, vond van Kempen het genoeg, hij verkocht de molen voor een veel lagere
prijs dan hij zelf had betaald aan Heereman Borsset, eveneens een inwoner
van Amsterdam. De molen zelf was nogal wat in waarde achteruit gegaan. Na
een taxatie verricht door Schout en Schepenen bleek dat het roerende goed
op de molen 2050 gulden aan waarde vertegenwoordigde. Slechts 950 gulden kon
getaxeerd warden voor de molen zelf. Van Kempen kreeg voor het bedrijf de
ronde som van 3000 gulden uitbetaald. In de praktijk betekende het, dat Borsset
contant 1000 gulden betaalde en voor de rest een schuldbekentenis tekende.
Deze acte van verkoop werd in Weesp betekend op 22 mei 1674, waarna het stadszegel
er aan werd bevestigd. Voor Schout Jan de Noij, de Schepenen Willem Schriek
en Pieter Prins passeerde de acte die oliemolen De Osch van eigenaar liet
veranderen.
De oliemolen valt verder
in oude akten niet meer te volgen. Onbekend bleef de verdere gang van zaken.
Vermoedelijk werd op de plaats van De Osch later molen 'D'
Eendragt' opgericht.
terug